Brief 389 [324]
Drenthe (Hoogeveen), ca. 15 september 1883
Waarde Theo,
Nu ik enige dagen hier reeds ben geweest en veel rondgelopen in verschillende
richtingen, kan ik u meer mededelen omtrent de streek waar ik ben aangeland.
Ik voeg hierbij een krabbeltje naar mijn eerste geschilderde studie uit deze buurt,
een hut op de heide. Een hut geheel uit plaggen en stokken slechts gemaakt.
Van die soort heb ik er een stuk of 6 ook van binnen gezien en er zullen meer
studies van komen.
Hoe 't exterieur daarvan in de schemering of even na zonsondergang zich
voordoet, kan ik niet juister zeggen dan u zeker schilderij van Jules Dupré in
herinnering te brengen, dat meen ik van Mesdag behoort, met twee hutten
erop, waarvan de mosdaken verbazend diep van toon afkomen tegen een
dampige, stoffige avondhemel. Dat is hier.
Nu binnen in die hutten, donker als een spelonk, is het zeer mooi. Tekeningen
van zekere Engelse artiesten die in Ierland op de heide hebben gewerkt, geven
mij het meest realistisch weer wat ik opmerk. Alb. Neuhuys geeft hetzelfde met
ietwat meer poëzie dan aanvankelijk in 't oog valt, doch evenwel maakt niets dat
niet au fond ook waar is.
Ik zag superbe figuren buiten - treffend door een expressie van soberheid. Een
vrouwenborst bijvoorbeeld heeft die beweging van zwoegen, die lijnrecht het
tegenovergestelde van volupté is en soms, als het schepsel oud is of ziekelijk,
deernis opwekt en anders respect. En de melancholie welke in 't algemeen de
dingen hebben, is van gezonde soort als in de tekeningen van Millet. Gelukkig
dragen de mannen hier korte broeken, wat de vorm van 't been doet uitkomen,
de bewegingen meer expressief maakt.
Om u een der vele dingen welke op mijn ontdekkingstochten mij iets nieuws te
zien en te voelen gaven te noemen, zal ik u vertellen hoe men hier b.v. schuiten
ziet, door mannen, vrouwen, kinderen, witte of zwarte paarden getrokken, met
turf geladen. midden in de hei, net als de Hollandse, b.v. op de Rijswijkse
trekweg. De heide is rijk, ik zag schaapskooien en herders die mooier waren dan
de Brabantse. De ovens zijn min of meer als bij Th. Rousseau's four communal,
staan in de tuinen onder oude appelbomen of tussen de selderij en kool.
Bijenkorven ook op veel plaatsen.
Men kan 't veel figuren aanzien dat zij het een of ander mankeren - gezond is
het niet precies hier geloof ik, misschien wegens vuil drinkwater - ik heb enige
meisjes van denk ik 17 jaar of jonger nog gezien, die iets heel moois en jeugdigs
hadden, ook in gelaatstrekken mooier, meestal is het reeds vroeg fané. Doch dit
neemt de grote, nobele tournure van 't figuur niet weg, welke sommigen
hebben die dichtbij gezien zeer verwelkt blijken.
Er zijn in 't dorp 4 of 5 vaarten, naar Meppel, naar Dedemsvaart, naar Coevorden,
naar Hollands Veld. Gaat men die af, ziet men hier en daar een curieuze oude
molen, boerderij, scheepstimmerwerf of sluis. En altijd bedrijvigheid van turfschuiten.
Om u een staaltje te geven van het echte van deze streek. Terwijl ik die hut zat te
schilderen, kwamen er twee schapen en een geit, die op het dak van dit
woonhuis begonnen te grazen. De geit klom op de nok en keek de schoorsteen
in. De vrouw, die iets op het dak hoorde, schoot naar buiten en slingerde haar
bezem naar de geit voornoemd, welke als een gems naar beneden sprong.
De beide gehuchten op de heide waar ik ben geweest en dit incident plaatshad,
heten Stuifzand en Zwartschaap. Ik ben ook nog in verscheidene andere
plaatsen geweest en nu geef ik u in bedenking wat een oorspronkelijkheid hier
nog is, daar après tout Hoogeveen nog een stad is en daar vlakbij heeft men toch
reeds schaapherders, van die ovens, van die plaggenhutten, & c.
Ik denk wel eens met veel melancholie aan de vrouw en de kinderen, waren zij
maar bezorgd - het is de vrouw haar eigen schuld, zou men ook al kunnen
zeggen, en het zoude waar zijn, doch haar ongeluk vrees ik groter zal zijn dan
haar schuld. Dat haar karakter een bedorven karakter is, wist ik van 't begin af,
maar ik had hoop op terecht komen en nu, juist terwijl ik haar niet meer zie en
nadenk over een en ander dat ik in haar zag, komt het me meer en meer voor, zij
al te ver weg was om terecht te komen. En dat maakt juist groter mijn gevoel
van deernis en dat wordt een melancholiek gevoel, omdat het niet in mijn
macht is het te verhelpen.
Theo, als ik op de hei zo'n arm wijf zie met een kind op de arm of aan de borst,
dan worden mijn ogen vochtig. Ik zie er haar in, ook haar zwakheid, slordigheid
dragen ertoe bij om de gelijkenis te vermeerderen. Ik weet dat zij niet goed is, dat
ik er het volle recht toe heb om te doen zoals ik doe, dat bij haar blijven ginder
niet kon, dat meenemen eigenlijk ook niet kon, dat wat ik deed zelfs verstandig,
wijs was, al wat ge wilt, maar dat neemt niet weg dat het door mij heen gaat als ik
zo'n arm figuurtje zie, koortsig en miserable en dat dan mijn hart week wordt.
Wat is er veel triestigheid in het leven, enfin, men mag niet melancholiek
worden en moet het in iets anders zoeken en het werken is recht, alleen er zijn
momenten dat men zijn rust slechts vindt in 't bewustzijn: het ongeluk zal mij
ook niet sparen.
Adieu, schrijf spoedig en geloof me,
t.à.t.
Vincent